NLP Woordenlijst

Accessing cues
Dit zijn subtiele non-verbale gedragingen die aangeven welk zintuiglijk representatiesysteem wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: oogpatronen, fysiologie (houding), ademhaling, stemgebruik (toon en tempo) en gebaren.

Affiliatiefilter (Affiliating) 
De behoefte van mensen om zich aan te sluiten bij anderen. Eén van de Metaprogramma’s, welke een indicatie geeft van de persoonlijke voorkeur om alleen te werken of deel uit te maken van een team.

Afstemmen (Pacing)  
Een methode die wordt gebruikt om snel rapport op te bouwen door het eigen gedrag af te stemmen op het gedrag van de ander. ‘Matching’ of ‘mirroring’ van gedrag. Bijvoorbeeld: Je ademt in hetzelfde ritme als de ander. Je gaat in dezelfde houding zitten als de ander. Of het gebruiken van dezelfde accessing cues van de ander.

Alignment (Uitlijnen) 
Zorgen dat alle elementen uit de neurologische niveau’s (Logical levels) zodanig zijn uitgelijnd dat zij met elkaar in harmonie (Congruent) zijn en elkaar ondersteunen bij het bereiken van een bepaald doel. 

Alsof kader (As-if frame”)
Een manier om creatief problemen op te lossen door te doen alsof iets al heeft plaatsgevonden (is gebeurd) met de bedoeling om mogelijkheden te onderzoeken. Stel je nou eens voor dat het wel is gebeurd zoals je wilde, wat was daarvoor nou nodig?
Als dit waar is, wat moet dan nog meer waar zijn? Als dit gebeurde.... Als je het wel zou kunnen wat hoe ziet dat eruit?

Afstemmen op (Pacing)
Een methode die wordt gebruikt om snel af te stemmen door het eigen gedrag af te stemmen op het gedrag van de ander.

Ambiguïteit (dubbelzinnigheid) 
Vaag of abstract taalgebruik. Dit in tegenstelling tot specifiek taalgebruik.
De ervaring die mensen hebben met zinnen die meer dan 1 ding betekenen, bijvoorbeeld: Wie feliciteert de baas? Deze zin wordt door sprekers van het Nederlands op twee manieren begrepen. 1.) Wie wordt door de baas gefeliciteerd. 2.) Door wie wordt de baas gefeliciteerd? In het transformationele taalmodel wordt van een oppervlaktestructuur gezegd dubbelzinnig te zijn wanneer hij van meer dan 1 dieptestructuur afgeleid kan worden. 

Analoge informatie
Analoge informatie komt overeen met zintuiglijk waargenomen informatie (het beeld, geluid, gevoel). De 2 best bekende vormen van analoge communicatie zijn lichaamsuitdrukking en stembuiging.

Analoog markeren 
Het gebruik van stemtoon, lichaamshouding, gebaren etc. om sleutelwoorden in een zin te markeren of om een specifiek gedeelte van je presentatie te markeren.

Anker (Anchor)
Een anker is een externe (doelgerichte) stimulus die een bepaalde interne toestand oproept. Ankers zijn spontaan geïmplementeerd of worden doelbewust neergezet. Bijvoorbeeld een liedje genereert misschien een gevoel of herinnert je aan een plek en/of iemand. Er wordt ook gebruik gemaakt van podium ankers (bij het presenteren van theorie en beantwoorden van vragen wordt onderscheidt gemaakt in de presentatieplek).
Een ‘trigger’ is een spontane stimulus die zodra deze in de omgeving wordt waargenomen een gedrag of een gedachte starten. Bijvoorbeeld : zodra het stoplicht op rood springt, stop je automatisch.

Ankeren
(Anchoring)
Het proces waarin op het hoogtepunt van een interne ervaring (intense , emotionele stemming) een externe, specifieke stimulus aan deze ervaring gekoppeld wordt. Iedere keer als de externe stimulus opnieuw wordt aangeboden volgt de interne ervaring automatisch. Ankeren kan visueel, auditief, gevoelsmatig via geur en via smaak.

Criteria voor het plaatsen van een goed anker:

  1. De intensiteit van de ervaring (stemming).

  2. Timing van het anker; tijdens de piek van de ervaring.

  3. Unieke eigenschap van de stimulus (het anker).

  4. Exacte herhaling van de stimulus.

Ankerketting (Chaining anchors)
Een serie ankers die in een vaststaande volgorde worden geactiveerd, zodat in een aantal stappen van een huidige ervaring (stemming) naar een gewenste (stemming) wordt toegewerkt. Het is een techniek die kan worden gebruikt als de gewenste, vermogende stemming aanzienlijk afwijkt van de huidige stemming.

Associatie (Association)
Je zit in de ervaring. De representatiesystemen (visueel, auditief, gevoel, geur en smaak) zijn bij de herinnerde ervaring betrokken. Je kijkt vanuit het perspectief van je eigen ogen, je hoort wat je toen hoorde, je voelt wat je toen voelde. Dit noemen we geassocieerd.

Attitude 
Attitudes zijn gebaseerd op groepen van overtuigingen. Attitudes zijn het totaal aan waarden en overtuigingen met betrekking tot een bepaald onderwerp. Onze attitudes zijn de keuzen die wij hebben gemaakt.

Auditief (Auditory)
Betrekking hebbende op geluid, luisteren, horen. Een van de vijf primaire weergave systemen: visueel (beelden), auditief (geluiden), kinesthetisch (gevoelens), olfactoir (geur) en gustatoir (smaak). 

Away from
Een meta programma waarbij een persoon een voorkeur heeft in een tegengestelde gaat dan hij/zij zou willen. Voorbeeld: Ik wil niet dat jullie rotzooi maken. 

Back-Track (Terugspoelen)
Je herhaalt in dezelfde tonatie in het kort de informatie die je hebt, je vat als het ware samen. Hiervoor gebruik je de sleutelwoorden van de persoon. Handig bij eenduidige samenvatting tijdens vergaderingen of samenvatten zonder oordeel.
Het helpt je om rapport op te bouwen. Het helpt je in vergaderingen om te zien of de deelnemers allemaal op hetzelfde punt zijn aangeland.

B.A.G.E.L. Model 
Het model is ontwikkeld door Robert Dilts. Het verschaft een set van micro non verbale gedragingen die kunnen worden gebruikt bij het identificeren van bijvoorbeeld strategieën. De waargenomen fysiologie geeft een indicatie voor zijn interne toestand.

Body posture (houding)             lichaamshouding, spierspanning

Accessing cues (non-verbaal)  ademhaling, stemgebruik

Gestures                                      gebaren

Eye movements                          oogbewegingen

Language patterns                     taal, predikaten  

Overtuiging (Belief)
Overtuigingen zijn beweringen over jezelf, over andere mensen, over de wereld om je heen. Het zijn beweringen die voor jezelf waarheid bevatten. Je verbindt er gevoelens aan, omdat deze overtuigingen belangrijk voor je zijn. Realiseer je echter dat overtuigingen het tegenovergestelde zijn van feiten. Feiten zijn meetbaar en waarneembaar. Een overtuiging is een innerlijk zeker weten en heeft niets te maken met de realiteit. Een overtuiging wordt meestal gevormd door een veralgemenisering van je ervaringen. Overtuigingen zijn meer bewust aanwezig dan waarden. Elke overtuiging is op de een of andere manier gekoppeld aan een bepaalde waarde, die waarschijnlijk onbewust is.

Betekenis frame (Content reframing) 
In een betekenis reframe vervang je de oorspronkelijke betekenis uit de structuur van de overtuiging door een nieuwe betekenis.

Bewust onbekwaam 
De tweede fase uit de leer cyclus. Hierbij zijn we bewust van de nieuwe taak die we uitoefenen terwijl de resultaten wisselend succes kennen. In deze fase is het leervermogen het grootst.

Bewust bekwaam 
De derde fase uit de leer cyclus. Hierbij zijn we nog steeds volledig bewust van de activiteiten die we uitvoeren waarbij de resultaten veel meer succes kennen dan in fase 2. De vaardigheid is nog niet volledig geïntegreerd.  

Calibreren
Het aflezen van iemands interne toestand (stemming) uit zijn non verbale reacties (op grond van het feit dat je dezelfde non verbale reacties meermalen gelijktijdig met die innerlijke ervaring hebt waargenomen). Het herkennen van welke innerlijke processen deze non verbale reacties een teken zijn. Het is een belangrijke eerste stap in NLP processen, daarbij kalibreer je de non verbale reacties die horen bij de probleem situatie. Daarbij let je op kleur van de huid, ademhaling, spanning van de huid, grootte van de onderlip, ogen. Het geeft een referentie waaraan het succes van de interventie kan worden afgelezen. 

Change personal history  
Een NLP anker techniek waarbij relevante ervaringen in het verleden met behulp van je huidige hulpbronnen kunnen worden herbeleefd met als doel deze ervaring te transformeren in een herinnering met positieve invloeden. Een manier om de emotionele impact van een herinnering te veranderen. De negatieve ervaring verandert en/of je kunt nieuwe conclusies verbinden aan de ervaring uit het verleden.

Chunken (schakelen) 
Schakelen naar een hoger of lager niveau. Informatie wordt globaler weergegeven of juist in kleine stukjes verdeeld. Er worden drie manieren onderscheiden.

‘chunking down’: Naar een lager abstractie niveau, waarin meer specifieke of concrete informatie wordt gegeven. Voorbeeld: Hond=Duitse Herder.

‘chunking up’: Naar een hoger abstractie niveau, waarin meer abstracte, globale informatie wordt gegeven. Voorbeeld: Hond=Dier.

‘chunking laterally’: Op hetzelfde abstractie niveau, waarbij zijwaarts wordt gezocht naar voorbeelden worden gezocht die dezelfde informatie geeft. Voorbeeld: Kat (hond en kat zijn beide voorbeelden van dieren).

Circle of excellence
NLP techniek waarbij hulpbronnen worden geankerd (geconditioneerd) aan een ingebeelde cirkel op de grond.
(techniek van een gestapeld anker) Handig bij presentaties en/of situaties waarbij maximale keuzemogelijkheden van belang zijn.

Collapsing anchors (Verwijderen van ankers)
NLP techniek voor het neutraliseren van gevoelens. Twee geankerde (geconditioneerde) gevoelens worden tegelijkertijd geactiveerd. Er wordt verwarring ervaren doordat beide gevoelens door elkaar lopen, dit verdwijnt snel, waarbij de gewenste hulpbron overstijgend wordt.
De positieve emotie wint, omdat mensen als ze de keus krijgen tussen twee emoties onbewust liever voor de prettige emotie kiezen.

Communicatiemodel
Beschrijving van de structuur van de (subjectieve) ervaring. Het model laat zien dat er buiten ons allerlei gebeurtenissen plaatsvinden die wij waarnemen via onze zintuigen. Vanaf het moment dat de externe prikkel, visueel, geluid (woord) gevoel (aanraking), geur of smaak wordt waargenomen, beginnen onze hersens een proces van verwerking. Daarbij passeert die informatie een aantal filters die onder andere te maken hebben met de wijze waarop wij een interne voorstelling hebben gevormd van de wereld om ons heen.

Competentie
Een bekwaamheid die voortkomt uit ervaren gedrag.

Congruentie  
Letterlijk overeenstemming. Toestand waarbij al je gedeelten (warden, overtuigingen, gedrag) het eens zijn met de boodschap. Wat je zegt stemt volledig overeen met je fysiologie, stemtoon. Tegengestelde: incongruentie. 

Context
De context is de omgeving waarin zich een specifieke situatie voordoet. De context is vaak van belang voor wat de interpretatie van een specifieke ervaring of gebeurtenis betreft.

Criterium
De waarde die iemand gebruikt om beslissingen te kunnen nemen of een oordeel te kunnen geven over de dingen om hem heen. Een criterium geeft aan wat in een bepaalde context belangrijk is.

Definitie van NLP

  1. Rapport

  2. Zintuiglijk bewust

  3. Resultaatgericht denken

  4. Flexibiliteit van gedrag

  5. Studie van de subjectieve ervaring

  6. Modelleren

  7. Communicatie technologie

NLP onderzoekt patronen of programma’s die zich uiten verbaal en non-verbaal. Daarbij is het aandachtspunt de zintuigen, de verwerking van de informatie die de zintuigen opnemen, de wijze waarop de opgenomen en verwerkte informatie zich uit.

Delen of subpersoonlijkheden
Het aanduiden van onafhankelijke programma’s, strategieën of gedrag. Het zien van de mens als het geheel van meerdere subpersoonlijkheden met ieder een eigen wereldmodel en eigen intentie. Het is een NLP techniek en ook bekend onder de naam Voice Dialogue.

Deletion (weglating)
De mens vormt zijn wereldbeeld met filters, de mens laat in het model wat hij van de wereld om zich maakt informatie weg, generaliseert en vervormt. Hierdoor verbinden we ons aan en interne voorstelling die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Delen uit de dieptestructuur zijn weggelaten, generaliseert en of vervormt.

Derde positie 
Waarnemingspositie waarin je gedissocieerd van jezelf en de ander de interactie waarneemt tussen jezelf en de ander.

Desidentificatie
Het onderkennen en doorbreken van bepaalde identificaties. In veranderwerk, individueel, team, organisatie en/of project is het soms nodig om bepaalde beperkende identificaties te doorbreken. Soms veradert de identiteit doordat aanvullende vaardigheden, processen geïntegreerd worden. Zo ontwikkelt en verandert een individu, team, afdeling, organisatie haar identiteit continu. In NLP-termen gaat het erom doelondersteunende identificaties te hebben.

Dieptestructuur (deep structure)
De volledige linguïstische weergave waaruit de oppervlaktestructuur van de taal wordt afgeleid. Taal (woorden) dient als weergave systeem voor onze ervaringen. Mensen delen hun weergave van ervaringen in een linguïstische weergave. De woorden die gebruikt worden en de uitingsvorm, volgorde van woorden en zinnen, verhalen, uitdrukkingen, intonatie etc. wordt de dieptestructuur genoemd.
Wanneer de mens begint te verwoorden maakt ze een serie keuzes, aangaande de vorm waarin ze hun ervaring meedelen. De out-put in de vorm van woorden wordt binnen de NLP de oppervlaktestructuur genoemd.

Digitale informatie
Digitale informatie is de verwoording van die zintuiglijke waarneming beschrijving van iets in een taalsysteem.

Disney Strategie
Een NLP strategie die de componenten creativiteit (fantasie), realisme, en evaluatie (kritiek) onderscheidt en afzonderlijk van elkaar gebruikt bij het ontwikkelen van iets. Brainstormen, verzinnen en uitwerken van ideeën

Dissociatie

Het ervaren van een gebeurtenis in het verleden, heden of toekomst van een afstand. Je ervaart niet de emoties van de oorspronkelijke ervaring. Bijvoorbeeld; je ziet jezelf in een vergadering in het verleden, heden of toekomst de dingen doe die je deed, die je doet of gaat doen. Je hoort jezelf denken. Handig om tijdelijk uit een emotie te komen.

Doel (outcome state)
De weg van de huidige situatie naar de gewenste situatie. Doelen of gewenste toestand of gewenste ervaring die een persoon of organisatie wenst te bereiken.

Down-Time (in jezelf)
Een status waarbij je aandacht naar binnen is gericht. Je registreert niet wat er om je heen gebeurd. Zie ook up-time.

Ecologie
(ecology) 
Bij het controleren van de verandering, het nieuwe doel, worden zodanige vragen gesteld dat duidelijk gemaakt wordt of de verandering geen nieuwe of andere problemen oproept bij de cliënt.

Ecologie vragen zijn:

Wat zal er gebeuren als je het krijgt?

Wat zal er niet gebeuren als je het krijgt?

Wat zal er gebeuren als je het niet krijgt?

Wat zal er niet gebeuren als je het niet krijgt

Emoties
Emoties zijn combinaties van gevoelens en gedachten die op hun beurt een drijfveer vormen voor gedrag.
 

Eye accessing cues 
Oogbewegingen in een bepaalde richting die een indicatie zijn voor visueel, auditief of kinesthetisch verwerken van informatie. Oftewel welk zintuiglijk weergave systeem wordt op dat moment gebruikt.  

Feedback geven
Feedback geven houdt in dat je een bepaalde intentie stuurt. Dit kan opbouwend en corrigerend. Doel is dat de intentie gerealiseerd wordt.
 

Feedback ontvangen
Signalen over jezelf ontvangen en wanneer ze voor je relevant zijn toe te laten en te gebruiken als informatiebron ter beoordeling over je eigen handelen en/of de effecten daarvan in overeenstemming zijn met je intenties.
 

Focus
Het vermogen om een positie in te nemen door voor jezelf te bepalen wat je wilt en daar doelgericht aan werken. Of het vermogen om alle zintuiglijke waarnemingen te centraliseren naar een doel. Een staat van gefocust zijn.
 

Frame (kader)
Binnen NLP verwijst het naar de manier waarop we zaken in verschillende contexten plaatsen zodat ze verschillende betekenissen krijgen.
 

Future pacing (afstemmen op de toekomst)
Mentaal wordt een voorstelling gemaakt van een toekomstige situatie, waarin de opgetreden verandering wordt getoetst. Doel is te ervaren en zeker te stellen dat het gewenste gedrag in de toekomst automatisch en op een natuurlijke manier zal plaatsvinden.
 

Fysiologie (Physiology)
Hiermee wordt in NLP gedoeld op non-verbale reacties die samenvallen met een innerlijke ervaren toestand of met een interne representatie.
 

Geblokkeerde status (Stuck State)
In een geblokkeerde status ervaart men zich als geblokkeerd of gestresst, hetgeen gepaard gaan met onaangename gevoelens. Keuzemogelijkheden worden niet meer waargenomen of als niet meer toegankelijk ervaren.
 

Gedrag (behaviour)
De specifieke acties en reacties, waarmee wij op de omgeving om ons heen inspelen. Gedrag ontstaat door onze gedachten en fysiologie.
 

Generalisatie (generalisation)
De mens vormt zijn wereldbeeld met filters, de mens laat in het model wat hij van de wereld om zich heen ervaart delen weg, generaliseert en vervormt. Hierdoor verbinden we ons aan een interne voorstelling die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Delen uit de dieptestructuur zijn weggelaten, generaliseert en of vervormt.

Gestalt
Een verzameling herinneringen die met elkaar verbonden zijn, of die zijn gegroepeerd rond een bepaald onderwerp.
 

Gestapeld anker (Stacking anchors) 
Een gestapeld anker is het herhaald ankeren (op dezelfde plaats) van verschillende herinneringen. Het heeft een versterkend effect, het leidt tot een krachtig anker.  

Gevoelens
Gemoedstoestanden die de mens in reactie op de buitenwereld kan ervaren. Vreugde, verbazing, woede walging, bedroefdheid, bezorgdheid.
 

Gewenste toestand
Eindresultaat, gewenste status of gewenste ervaring die een persoon wenst te bereiken.
 

Gustatoir (Gustatory)
Betrekking hebbende op smaak en proeven.
 

Herkaderen (Reframing)
Een NLP techniek waarbij een betekenis in een ander kader wordt geplaatst. Je kunt herkaderen op inhoud en op context. Voorbeeld; “mijn team wil niet luisteren naar mij” ten opzichte van een ander kader “mijn team heeft een autonome positie”.
 

Hiërarchie (Hierarchy)
Een manier om gegevens te structureren. Bijvoorbeeld een hiërarchie van criteria, waarbij elk hoger gelegen criterium meer invloed heeft dan de daaronder gelegen criteria.
 

Huidige toestand/status (present state)
De subjectieve ervaring van een persoon op dit moment.
 

Hulpbron (resource)
Een mentale weergave van het opgeloste probleem/uitdaging. Intern en extern. Intern; een eigen beleving bij wat helpt bij het oplossen van het probleem en/of uitdaging te overwinnen. Extern; Suggestieve krachten die een probleem of uitdaging overwinnen. Denk bijvoorbeeld aan het placebo effect.
 

Hypnotische taalpatronen (zie Milton model) 

Ideomotorische signalen
Ideomotorisch betekent dat de bewegingen (motorisch) op ideo-niveau (op onbewust niveau) plaats vinden, zoals een minuscuul trekje van de mond, of een pink die bij een ja-antwoord telkens weer die haperende beweging maakt. Anders gezegd: ideomotorische signalen zijn onbewuste reflecties van een op gang zijnde staat van bewustzijn. Een NLP-er die de vaardigheid heeft om in uptime te blijven zal eerder de juiste koppelingen kunnen herkennen die bestaan tussen taal, signaal en interne staat van de cliënt. 

Incongruentie (Incongruence)
Toestand waarin de non-verbale communicatie niet overeenstemt met de boodschap. Niet volledig verbonden met gewenste doelen, het interne conflict zal tot uitdrukking komen in iemands gedrag. Voorbeeld: Je zegt:’Ik ben blij’ en je kijkt daarbij bezorgd. Tegenovergestelde van congruent. 

Identiteit
Wie ben jij? De identiteit stuurt je overtuigingen, vaardigheden en gedrag. Zie ook de neurologische niveaus van Robert Dilts.
 

Ingebedde opdrachten (embedded commands)
Het verdekt aanbieden van opdrachten die zorgen voor actieve deelname van mensen in het proces op het onbewuste gedragsniveau, zonder dat weerstand wordt opgeroepen.
 

Inhoud (content)
Inhoud is dat wat je zegt en de betekenis daarvan. Proces is los van de inhoud de manier waarop iemand informatie verwerkt.  

Inlevingsvermogen
In staat andermans emoties te herkennen, erkennen en te verduren en op basis daarvan je in de belevingswereld verplaatsen.

Innerlijke stem
De innerlijke stemmen die eenieder in zich kan hebben. Subpersoonlijkheden gebruiken soms het auditieve kanaal.
 

Installeren (Installation)
Het proces van het verwerven van een nieuwe strategie of gedrag. Bijvoorbeeld met iets wat je zegt kun je onbewust iets bij een ander installeren. Weest je dus bewust van wat je zegt.
 

Integriteit (Integrity)
Congruent en eerlijk. Persoonlijke integriteit en ethisch handelen zijn noodzakelijk bij toepassing van NLP technieken in de cliënt situatie. 

Intentie (Intention) 
Doel van bepaald gedrag. Niet het gedrag zelf.
Vaak wordt gezegd: Achter ieder gedrag schuilt een positieve intentie, voor degene die dat gedrag vertoont. Met een positieve bedoeling (intentie), maar niet perse met het gewenste resultaat. 

Interne representatie (Internal representation)
De manier waarop wij onze herinneringen coderen. Oftewel de wijze waarop informatie verwerkt en wordt opslaggeslagen. Beelden (V), geluiden (A), gevoelens (K), geuren (G) en smaken (O).   

Interne dialoog
Het gesprek dat mensen in zichzelf voeren en waarmee keuzes worden overwogen en betekenis wordt toegekend aan situaties. Zie ook oogbewegingen.
 

Kader (Frame)
De context waarin een bepaalde situatie geplaatst kan worden om er betekenis aan te verlenen.
 

Kaderen (Framing)
Zie ook herkaderen. Kaderen is een communicatie techniek die mensen ertoe brengt om 1 betekenis te accepteren boven de andere. In de marketing veelvuldig toegepast.
 

Kalibreren
Op basis van zintuiglijke waarneming een verband leggen met de interne status. Je let op non-verbale reacties die horen bij het probleem of uitdaging. Het is een belangrijke eerste stap in NLP-interventies.
 

Kinestetisch (kinaesthetic)
Gevoel en beweging.
 

Kritiek
Persoonlijke mening van een persoon vergeleken met een standaard.
 

Leiden (leading)
Je kan leiden, sturen en pushen. Binnen NLP is het mogelijk om na rapport gemaakt te hebben je gedrag te veranderen waardoor de andere persoon (cliënt) automatisch gaat volgen. Pacing en Leading is een belangrijk onderdeel bij het kunnen uitvoeren van andere NLP-technieken.
Je gaat dus eerst de wereld van de cliënt binnen en leidt hem naar conclusies die hij zichzelf kan toe eigenen om de gewenste verandering te bereiken. 

Lead system 
Het zintuiglijk representatiesysteem (visueel, auditief, kinesthetisch) waarmee intern opgeslagen informatie wordt benaderd (zoeken). Het ‘leadsystem’ is de sleutel om de toegang te krijgen tot opgeslagen informatie. Het is herkenbaar aan oogbewegingen. Sequentie (opeenvolging) en positie geven informatie over innerlijke processen.  

Leerproces (Learning cycle) 
Het 4-staps leerproces:

  1. Onbewust onbekwaam
  2. Bewust onbekwaam
  3. Bewust bekwaam
  4. Onbewust bekwaam

Leerstijlen Kolb (Learning styles)
Verschillende manieren van leren, waarbij iedereen zijn persoonlijke voorkeur heeft.

Concreet ervaren ('sensing/feeling')

Waarnemen en overdenken ('watching')

Analyseren en abstract denken ('thinking')

Actief experimenteren ('doing')  

Logische niveaus (Logical levels) 
Robert Dilts heeft het model van de Logische niveaus ontwikkeld op grond van Gregory Bateson’s “Steps into an Ecology of Mind.” Het is een interne hiërarchie waarbij elk hoger niveau psychologisch gezien een lager niveau omvat Het hogere niveau heeft ook veel meer impact.

In volgorde (van boven naar beneden) worden de volgende niveaus gehanteerd:

  1. spiritualiteit, missie
  2. identiteit
  3. overtuigingen en waarden
  4. capaciteiten, vermogens
  5. gedrag
  6. omgeving

Gregory Bateson beschrijft de logische niveaus als volgt:

  1. Een hoger niveau organiseert de informatie op lager niveau.
  2. Verandering op een lager niveau kan veranderingen doorvoeren op het direct hoger niveau
  3. Verandering op een hoger niveau zal verandering op alle lagere niveaus betekenen.  

Matching
Het overnemen van het gedrag van een ander. Met het doel het tot stand brengen van rapport. Voorbeeld; spiegelen van houding. Dit zie je vaak onbewust ontstaan tussen mensen die met elkaar in gesprek zijn.
Een andere uitleg is het zien, horen en ervaren van overeenkomsten, het hierdoor makkelijk vinden van aanknopingspunten met mensen.  Zie ook mismatching.
 

Metamodel
Een meta taal model ontwikkeld door John Grinder en Richard Bandler, waarin taalpatronen worden geïdentificeerd die problematisch/uitdagend en/of dubbelzinnig kunnen zijn.
Het taalmodel heeft de intentie om de oppervlakte structuur (taal, de gesproken woorden) waarin delen zijn weggelaten, vervormd en/of gegeneraliseerd, door middel van vraagstellingen, de ontbrekende delen uit de dieptestructuur (de oorspronkelijke ervaring) te laten achterhalen. Het metamodel verbindt taal met de ervaringen en kan worden gebruikt voor het verzamelen van informatie, het verhelderen van betekenissen , het identificeren van beperkingen en het vergroten van keuzemogelijkheden.

Meta Programma
Metaprogramma’s zijn interne (onbewuste) programma’s die je gebruikt om te bepalen welke soort informatie je uit de werkelijkheid filtert en hoe je die informatie verwerkt en waardeert.
 

Metapositie (Meta position) 
Het denkproces over een situatie als iets anders. Je kijkt en luistert naar jezelf en de ander terwijl je waarneemt. Je bent als het ware gedissocieerd van de situatie. Bekijkend vanuit een toeschouwerpositie. Ook wel derde positie. 

Metafoor
Is een vorm van beeldspraak waarbij twee of meer ongelijke betekenissen met elkaar worden verenigd in 1 nieuwe betekenis. Soms wollig omschreven in een mooi verteld verhaal waar niets is wat het lijkt.
Tot “one-liners” De voorzitter ploegt door de vergadering” of “het is hier een zwijnenstal”.

Een metafoor is een overdrachtelijke uitdrukkingsvorm waarbij een boodschap wordt verpakt in een verhaal of anekdote. Het bewustzijn hoeft de boodschap niet op te pikken, maar het onbewuste kan op het juiste spoor worden gezet. 

Milton Model
Het Milton model wordt beschouwd als het omgekeerde van het Metamodel. Het Milton en Metamodel vormen samen de basis voor NLP. Milton taal kan, in tegenstelling tot het metamodel, onprecies en kunstig vaag van aard zijn, dit zorgt ervoor dat de ander associatief (in zichzelf) een eigen betekenis toevoegt. Door de gehanteerde spraakpatronen gaat de ander over naar een andere stemming waardoor het onbewuste opent voor hypnotherapeutische werking.
 

Mirroring
Zie spiegelen.
 

Mismatching
Het bewust of onbewust gebruiken van andere gedragspatronen in relatie tot een ander. Resultaat is dat het rapport wordt verbroken en dat de relatie met de ander in een heroriëntatie komt. Een andere uitleg is het zien, horen en ervaren van verschillen en hierdoor makkelijk vinden van afwijkingen of witte vlekken. Handig bij kwaliteitsanalyses, bij beoordelen van aankopen en onderhandelingen op het scherpst van de snede. Zie ook matching.
 

Modelleren
NLP is gebaseerd op het modelleren van het gedrag van bekwame therapeuten. Het in kaart brengen van gedrag en strategieën en daarmee vaardigheid. Door bijvoorbeeld goed gedrag van een ander in kaart te brengen, is de volgende stap het integreren in jezelf of ze aan een ander te leren. Modelleren is binnen NLP een basis begrip.   

Neuro Linguistisch Programmeren
In 1975 hebben John Grinder en Richard Bandler een serie technieken en vaardigheden ontwikkeld op basis van modelleren. Ontleend van Alfred Korzybski (
3 juli 1879 - 1950) grondlegger van de algemene semantiek (Algemene semantiek is de filosofie die de reactie behandelt op hetgeen wat om ons heen gebeurt en de betekenis die we daaraan geven). 

Nominalisatie
Het taalkundig veranderen in een zelfstandig naamwoord van een woord dat tot een andere klasse behoord.
Een andere manier om een nominalisatie snel te herkennen, is door vast te stellen dat het niet vast te pakken is.

Uitdagingen van de eventuele overtreding: De communicatie is slecht in dit bedrijf. Uitdaging: Hoe zouden we hier effectiever kunnen communiceren?

Kenmerkend aan een nominalisatie is dat een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord wordt omgezet in een zelfstandig naamwoord. 

Non-Verbaal
Zonder woorden (geluid) communiceren.
 

Neutrale stand (separator state, ook wel brake state)
In een onderbrekende status/toestand ervaar je een neutrale of niet emotionele toestand. Handig om een andere actuele toestand te onderbreken.
 

Olfactoir (olfactory)
Betrekking hebben op het reukzintuig, ruiken.
 

Oogbewegingen (eye accessing cues)
Oogbewegingen in een bepaalde richting kunnen een indicatie zijn (na kalibratie) voor het visueel, auditief of kinesthetische leer en denkstijl.

Als je recht voor iemand staat en de persoon aankijkt en bij 90 % van de mensen:
Ogen rechts naar boven: Visuele herinnering.
Ogen links naar boven: Visuele constructie.
Ogen horizontaal naar rechts opzij: Auditieve herinnering.
Ogen horizontaal naar links: Auditieve constructie (hoe zou iets klinken?).
Ogen rechts naar beneden: Auditief digitaal (ja/nee en goed/fout dialogen).
Ogen links naar beneden: Kinestetisch.
 

Open frame 
Een kans voor iedereen om commentaar naar voren te brengen of vragen te stellen over het aangeboden materiaal tot aan dat moment. Wordt ook gebruikt om ervaringen te vertellen. 

Oppervlakte structuur (surface structure)
De woorden waarmee een beschrijving wordt gegeven van een interne re-presentatie die gebaseerd is op zintuiglijke waarneming. De oppervlakte structuur is de weergave, de woorden die gebruikt worden. Zie ook dieptestructuur.
 

Out framing
Bepaalde mogelijke bezwaren worden uitgesloten door het zetten van een kader. Ik zal elke vraag beantwoorden behalve de vragen behorende bij deze kwestie die zullen in een later stadium worden beantwoord. Out framing is een handige communicatietechniek bij vergaderingen of presentaties.
 

Overlap
Het gebruiken van een voorkeur representatiesysteem om vervolgens toegang te krijgen tot andere representatiesystemen. Bijvoorbeeld: Je ziet jezelf lopen in een bos en je hoort vervolgens de geluiden van vogels om je heen en zachtjes voel je de wind door je haren strijken. 

Overtuiging (Belief)
Een overtuiging is een generalisatie over de werkelijkheid, op basis van een beperkt aantal ervaringen. Op basis van overtuigingen creëert de mens haar eigen model van de wereld. Het zijn beweringen die voor jezelf waarheid bevatten. Het zijn geen feiten die meetbaar en waarneembaar zijn.
 

Parts  (delen) 
Het op metaforische wijze aanduiden van onafhankelijke programma’s, strategieën of gedrag. Het zien van de mens als het geheel van meerdere subpersoonlijkheden met ieder een eigen wereldmodel en eigen intentie. In het veranderingswerk zoek je de hoogste positieve intentie die de delen verbindt en laat ze vervolgens integreren. Als mens heb je geen delen nodig om te kunnen functioneren. Vaak wil je iets gaan doen, maar ‘iets’ houdt je tegen.  

Patroon doorbreken (Patern interrupt)
Een gedragspatroon doorbreken. Dit doe je door het patroon op een andere manier te benaderen. Een patroon is eigenlijk een onbewuste handeling, wanneer je die onderbreekt bij de ander dan staat het onbewuste open voor een vervolg en vanuit deze ervaring ga je naar de reactie die je wilt creëren.
 

Predikaten (Predicates) 
Het zijn proces woorden, zoals werkwoorden, bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, die iemand gebruikt om het onderwerp te beschrijven. In NLP worden predikaten vaak gebruikt om te achterhalen welk representatiesysteem iemand op zeker moment gebruikt. Daarnaast geeft het gebruik van predikaten de mogelijkheid tot het opbouwen van rapport. Het leer en denksysteem wordt blootgelegd. Bijvoorbeeld; “Zoals ik het zie” (V), “Zoals ik het hoor” (A), “Zoals ik het voel” (K) Of: Er ging mij een lichtje branden. Er gaat een belletje rinkelen. Ik voelde wat er stond te gebeuren. 

Primaire gevoelens
De impuls of gevoel dat in een situatie het eerst ontstaat.
 

Primair representatiesysteem
Het voorkeursysteem om intern opgeslagen informatie naar buiten te brengen. Herkenbaar aan predikaten. 

Proces en inhoud
Inhoud is wat je doet, terwijl proces is hoe je doet. Wat je zegt is de inhoud, hoe je het zegt is het proces. NLP is vooral geïnteresseerd in het proces. Hoe doen de mensen de dingen die ze doen.

Processturing
Inhoud en proces, kennis en emotie, beiden hebben een succesbepalende rol in processturing. Door beide effectief op te pakken ben je in staat een groepsproces te sturen. 

Rapport
Het makkelijk tot stand brengen van vertrouwen, harmonie en samenwerking door de ander te ontmoeten in zijn of haar model van de wereld.
Rapport is kenmerkend in:

  1. Vertrouwen.

  2. Gevoelsmatige betrokkenheid.

  3. Bereidheid om elkaar te volgen (volgen en leiden).

  4. Respect voor elkaars model van de wereld.

  5. Sterk op elkaar gerichte aandacht.

80% Van een succesvol (coaching) gesprek is afhankelijk van de relatie tussen beiden, 20% van welke techniek wordt aangeboden.

Reframing
Zie herkaderen
.

Representatiesystemen
De vijf zintuigen; zien, horen, voelen, proeven en ruiken
.

Resource
Zie hulpbron.

Satir rollen
Ook wel Satir-posities genoemd. Dit zijn houdingen of communicatie patronen die mensen aannemen. Ze zijn geformuleerd door Verginia Satir. Vaak heb je voorkeur voor een van de vijf posities. In presentaties kan het nuttig zijn de posities te wisselen afhankelijk van wat je op dat moment communiceert.

De Satir-posities zijn:

  1. Verzoener (Placator): De verzoener is bang om fouten te maken of geen uitweg voor het probleem van de medewerker te zien. Hij negeert problemen.
  2. Beschuldiger (Blamer): Deze is geneigd een zondebok te zoeken. Hij heeft een sturende dominante houding en profileert zich als leider.
  3. Beredeneerder (Computeror): Legt rationeel uit hoe bepaalde dingen in elkaar zitten en geeft daarover verklaringen en toelichtingen.
  4. Afleider (Distractor): De afleider valt op door de spontante en plezierige manier waarop hij irrelevante dingen doet. De kern van deze houding is spontaniteit, zich niet bekommeren over het onderwerp of de medewerker.  

Schaduw kant
De kant van jezelf die je soms liever niet ziet en waar anderen zich soms aan storen. Het leidt regelmatig tot gedrag dat dwars op je intenties lijkt te staan.
 

S.C.O.R.E. Model 
Dit model is ontwikkeld door Robert Dilts en Todd Epstin. Het is een model voor het verzamelen van relevante informatie noodzakelijk voor het effectief organiseren van informatie met betrekking tot veranderingswerk.

De volgende vijf elementen zijn nodig:

SYMPTOOM - De uiterlijk en vaak bewuste kenmerken van de probleem situatie.

CAUSE(S) (Oorzaak) - onderliggende elementen die de oorzaak vormen.

OUTCOME (Doel) - Het beoogde doel, de gewenste ervaring.

RESOURCES (Hulpbron) - Elementen nodig om het doel te bereiken en in stand te houden.

EFFECT - Het resultaat op lange termijn.    

Secundaire gevoelens
Secundaire emoties zijn de reactie op onze primaire gevoelens. Veelal maken we geen onderscheid in onze ervaring tussen beide: de primaire en secundaire gevoelens. Het onderscheid tussen beide ervaringen is echter zeer centraal in het werken met gevoelens. Wat is nu precies het verschil tussen beide? “Ik ben niet boos maar wel verdrietig”. In dit voorbeeld kan verdrietig als secundair worden opgevat en wordt in deze context als meer acceptabel gewaardeerd, boven het primaire gevoel.

Sensaties
De verschillen die onze zintuigen kunnen waarnemen. Licht/donker, warm/koud, lawaai/stilte etc.
 

Separator state
Zie neutrale status/toestand.
 

Sleight of Mouth patterns
Ontwikkeld door Robert Dilts door het modelleren van de door Richard Bandler gebruikte taalpatronen. Verbale herkaderingen of conversationele patronen die zijn gebaseerd op een complexe equivalentie of oorzaak-gevolg bewering, met als doel het veranderen van een overtuiging.
Het is een NLP techniek om de aandacht en perceptie van iemand zo te sturen naar een andere, nieuwe ervaring.

Voorbeeld: Hij heeft mij in de steek gelaten dus kan ik niet gelukkig zijn.

Intentie: Wat is het voordeel van niet gelukkig zijn?
Definieer opnieuw: Wat is gelukkig zijn precies voor jou?
Consequentie: Wat gebeurt er als je niet gelukkig bent?
Chunk Down: Zijn er kleine dingen in het leven waar je wel gelukkig van wordt?
Chunk up: Wat betekend het voor je als je gelukkig bent?
Anologie: Er zijn heel veel mensen die in de steek gelaten zijn en gelukkig zijn.
Reframing: Betekend dit dat je altijd niet gelukkig bent?
Andere outcome: Je hebt nu de vrijheid om anderen te ontmoeten.
Ander wereldmodel: Heeft iedereen daar last van als ze in de steek worden gelaten?
Realiteitstrategie: Hoe weet je dat het waar is? Wat doen anderen om zich zo te voelen?
Tegenvoorbeeld: Mijn buurvrouw is in de steek gelaten door haar vriend, die haar domineerde, zij is nu gelukkig.
Hiërarchie van criteria: Wat is er belangrijker dan “niet gelukkig zijn”?
Pas het toe op de spreker:  Hoe lastig is het om “niet gelukkig zijn” te veranderen?
Meta kader: Waar moet je overtuigd van zijn om wel gelukkig te zijn?

Smart
Een SMART-doelstelling is richtinggevend: het geeft aan wat je wilt bereiken en stuurt het gedrag van je medewerkers en van jezelf. Bovendien wordt aangegeven welke resultaten wanneer moeten worden bereikt.

Specifiek (passend in de context).
Meetbaar.
Acceptabel (verruimt het de keuzemogelijkheden).
Realistisch (haalbaar succes).
Tijdgebonden.

Spiegelen (mirroring)
Het gedrag van een ander nadoen in spiegelbeeld. Een eerste stap om rapport op te bouwen. Soms ervaar je direct het wereldbeeld van de ander.
 

Spinning
Wanneer je een gevoel hebt is het mogelijk om dat gevoel in je lijf te traceren en te onderzoeken hoe het beweegt. Vervolgens kun je daar iets mee doen om het nog beter te maken of te veranderen. 

Stimulus respons
De basis voor het ankeren. Gedemonstreerd door Ivan P. Pavlov hij legde een verband tussen het rinkelen van een belletje en speekselvorming bij een hond. Het is een natuurlijk leerproces wat onbewust veel voorkomt.
 

Strategie (Strategy) 
Een opeenvolging van stappen die tot een bepaald resultaat leidt. Strategie is iedere interne en externe set van ervaringen die constant een specifieke uitkomst oplevert. Een strategie bestaat uit een opeenvolging (syntaxis) van representaties die leiden tot een specifiek resultaat In NLP is het belangrijkste aspect van een strategie de representaties die worden gebruikt om de strategie tot stand te brengen. Bijvoorbeeld een koopstrategie: V->K->Ad. Dus ik zie iets, krijg daarbij een bepaald gevoel en zeg tegen mijzelf dat ik het koop.    

Structuur (Structure) 
Structuur is de ordening van de elementen en hun onderlinge relaties. Structuur staat los van de inhoud. Het is de manier waarop iemand informatie verwerkt. Wat is zijn interne programma (strategie). Inhoud is dat wat je zegt en de betekenis daarvan.

Submodaliteiten
De manier waarop een subjectieve ervaring is opgebouwd.
bijvoorbeeld:
Visueel -  kleur, vorm, beweging, helderheid, diepte etc.
Auditief -  Volume, toonhoogte, tempo etc.
Gevoel  -  Temperatuur, vochtigheid, locatie van gevoel op of in je lichaam etc.
 

Succes (Vijf grondbeginselen voor succes) 
De vijf sleutels zijn:

  1. Ken je uitkomst.

  2. Onderneem actie.

  3. Wees zintuiglijk scherpzinnig.

  4. Wees flexibel in je gedrag.

  5. Ga te werk vanuit een fysiologie en psychologie gericht op het bereiken van perfectie.   

Swish Pattern 
Een veranderingspatroon op basis van sub-modaliteiten waarbij een huidige (negatief ervaren) situatie wordt vervangen door een gewenste (positief ervaren) situatie. Dit doen wij door het met een ‘Swish’ het ene beeld te laten vervagen naar de horizon en het ander beeld heel snel ervoor te plaatsen. De herhaling zorgt voor blijvend resultaat.  

Synesthesie (Synaesthesia) 
Het proces van overlap tussen twee representatiesystemen die gekarakteriseerd kunnen worden door de structuur van ‘zien/voelen’, waarbij een persoon het gevoel direct ontleent aan wat hij ziet of door de structuur van ‘horen/voelen’, waarbij de persoon het gevoel direct ontleent aan wat hij hoort. Het is een neurologische verbinding tussen twee representatiesystemen die gelijktijdig opereren. Bijvoorbeeld: je ziet (Ve) een spin en raakt in paniek (Ki). Of een andere twee stap strategie(Ae/Ki), Je hoort een muziekje en komt in een fijne stemming, vaak realiseert de persoon in kwestie zich niet wat er gebeurt.  

Tijdlijn (timeline)
Verleden, heden en toekomst zijn oproepbaar in ons. We kunnen beelden, geluiden, gevoelens, geuren en smaken op een tijdlijn plaatsen en zo ervaringen terughalen in het hier en nu zetten en verplaatsen naar de toekomst.
Ook kunne we met nieuwe hulpbronnen terug te gaan op de tijdlijn en met behulp van deze hulpbronnen de oude situatie nog eens te bekijken. 

T.O.T.E.
Dit model is ontwikkeld door Miller, Galanter en Pribram. Het model beschrijft een stuurkundige lus waarin een huidige situatie wordt vergeleken met een gewenste situatie net zolang tot de lus kan worden verlaten. De letters staan voor:

Trigger, ook Test genoemd; waarmee de strategie begint.

Operate; het herinneren, creëren of verzamelen van informatie over de interne en externe wereld die nodig is voor de strategie.

Test; een vergelijking in het zelfde representatie systeem met behulp van tijdens de trigger of eerste test opgestelde criteria.

Exit; is een weergave van de resultaten van de test. 

Toegangssignalen (Zie accessing cues) 

Trance 
Een veranderde bewustzijnstoestand die wordt gekenmerkt door naar binnen gerichte concentratie en een beperkte externe aandacht. Met als doel het vergroten van het contact met onbewuste hulpbronnen. Verder zijn cliënten in trance beter ontvankelijk voor directe opdrachten (suggesties) met als doel effectieve resultaten.  

Transderivationeel zoeken
Het
een onbewust en automatisch zoekproces in iemands herinnering naar andere ervaringen waarvan het huidige gedrag is afgeleid. 

Tweede positie (second position)
Waarnemingspositie vanuit de ander. Je bekijkt of ervaart de situatie vanuit de ander zijn/haar perspectief.
 

Tweede winst (secundaire gain)
Een roker die rookt omdat het hem/haar een houding geeft in gezelschap of hem/haar helpt ontspannen.
 

Up time
Status waarbij je aandacht volledig naar buiten is gericht. Je besteed geen aandacht aan interne processen. Zie ook down-time. 

Utiliseren (utilization)
Een NLP techniek waarbij je specifiek gedrag of strategie overneemt met het doel de reactie van een ander te beïnvloeden. Terwijl je in een vergadering zit geef je aan dat de lege stoel vandaag bezet wordt door iemand die niet aanwezig kon zijn. Je gebruikt een lege stoel om aanwezigheid te genereren.
 

Vaardigheden
Een gedragsmogelijkheid waarover iemand bezit.
 

Vervormen (Distortion)
Eén van de drie universele modelleringprincipes (weglating, generalisatie en vervorming) waarmee het wereldmodel wordt gevormd en in stand gehouden. In het model dat wij van de wereld om ons heen maken zijn delen vervormd. Wij verbinden ons aan een interne voorstelling die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Delen uit de dieptestructuur zijn vervormd. Eén van de meest bekende vormen van vervorming is het weergeven van een proces door een gebeurtenis. In taal noemen wij dit een nominalisatie.  

Visueel (Visual) 
Betrekking hebbende op zien, kijken. 

Visualiseren (Visualization) 
Het zien van beelden.  

Visual squash 
Een techniek waarbij twee interne delen (polariteiten van elkaar) onderhandelen met elkaar door het identificeren van de hogere positieve intentie van ieder deel met als resultante het integreren van beide delen in één groter geheel.  

Voice Dialogue (zie parts, delen)

Vooronderstellingen (Presupposition) 
Een serie aannames die noodzakelijk zijn om zin te geven aan de theorie. We weten niet zeker of ze waar zijn, wat we wel weten is dat ze wel werken. Eigenlijk zijn het overtuigingen. Het integreren van de vooronderstellingen van NLP is één van de sleutels voor succes.

Veronderstelling van taal 
Een zin die waar moet zijn, wil een andere zin betekenis kunnen hebben. Bijvoorbeeld: Welke vragen heb je? Dit vooronderstelt dat er vragen zijn. 

Vormvoorwaarden voor succes   
Dit betreft een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden ten einde een effectieve en ecologische uitkomst te geven. In NLP wordt een doel getoetst aan de volgende vijf vormvoorwaarden:

  1. Positief geformuleerd.

  2. Afhankelijk van eigen vermogens.

  3. Zintuiglijk specifiek.  

  4. Tijd gespecificeerd.

  5. Ecologisch verantwoord.  

Waarden
De dingen die we belangrijk vinden. Er kan een onderscheidt gemaakt worden in doelwaarden daar waar je naar streeft en bestaande waarden die je als vanzelfsprekend ervaart. Waarden geven richting en overtuigingen sturen je gedrag.
 

Waarnemingsposities
Visualisatietechnieken hanteren drie waarnemingsposities.
Eerste positie: Vanuit je zelf.
Tweede positie: Vanuit de ander.
Derde positie: Waarnemer van eerste en tweede positie (helicopter view)
 

Wereldmodel
Een interne re-presentatie van een persoon. Opgebouwd uit samenhangende verwachtingen en overtuigingen. Hiermee worden ervaringen geordend en een (subjectief) model van de wereld gemaakt.

Weglaten
Zie deletie
 

Zelf motivatie
Je motieven verwoorden en omzetten in doelen, acties en in staat zijn aandacht blijvend te richten op het doel. Het hebben van een intern referentie kader.
 

Zelfreflectie
Je eigen gevoelens en gedachten kunnen registeren en te benoemen. Het nemen van verantwoordelijkheid van je eigen gedrag.
 

Zoeksysteem (leadsystem)
Het zintuigelijk systeem dat gebruikt wordt bij het terugvinden of ontwikkelen van informatie uit het verleden, heden en toekomst.

HOME